De sirenezang van Ayaan Hirsi Ali
Uit de Griekse mythologie kennen we de Sirenen. Het waren halfgodinnen, die op enkele kleine rotseilandjes woonden. Met hun gezang betoverden ze passerende reizigers die dan met hun schepen op de rotsen te pletter sloegen. Dat beeld kwam bij me op toen ik in de pers las dat Ayaan Hirsi Ali christenen als bondgenoten ziet in de strijd tegen de islam.
Dat is opmerkelijk. Toen ze nog in Nederland woonde liet ze herhaaldelijk blijken athexefste te zijn, en wel xe9xe9n van de offensieve soort. Ze liet geen gelegenheid onbenut de religie als zodanig te bestrijden. Ze verzette zich niet alleen tegen de radicale islam, maar tegen de islam als zodanig. En ook christenen konden niet bepaald op haar sympathie rekenen.
Vanwaar deze omslag? In een artikel in de Volkskrant spreekt Bart Jan Spruyt, voorzitter van de conservatieve Edmund Burke Stichting, het vermoeden uit dat dit te maken heeft met de kringen waarin ze nu verkeert. Daarin zou hij gelijk kunnen hebben. In de Verenigde Staten werkt ze voor een conservatieve denktank, en aangezien christenen binnen het Amerikaanse conservatisme een belangrijke rol spelen, mag worden aangenomen dat haar vroegere offensieve athexefsme en afkeer van elke vorm van religie daar niet erg op prijs worden gesteld.
Afgezien daarvan, met haar oproep aan christenen erkent Ayaan Hirsi Ali in feite dat zij moslims niets te bieden heeft. Athexefsme, humanisme, ietsisme – het is allemaal lucht en leegte. Waarom zouden moslims hun religie daarvoor inruilen? Dan maar het christendom, lijkt Hirsi Ali gedacht te hebben. Dat is weliswaar niks, maar altijd nog beter dan de islam.
Maar, is er wel sprake van een omslag bij Ayaan Hirsi Ali? Haar oproep aan christenen en christelijke kerken is niet onvoorwaardelijk. Spruyt schrijft: "Niet dat alle kerken zich bij haar alliantie mogen aansluiten. Ze moeten x84gematigdx94 zijn, niet vijandig tegenover de wetenschap staan, niet fulmineren tegen abortus en niet het creationisme verdedigen. Maar ze gelooft dat het christendom een goede kans maakt. Ten diepste, aldus Hirsi Ali, zijn moslims op zoek naar x84een verlossende Godx94, maar x84in plaats van de christelijke God vinden ze Allah.x94 Ze wil moslims een x84religieus leider als Jezus biedenx94, die geen krijger was en x84een God van liefde, verdraagzaamheid, rede en vaderlandsliefdex94 verkondigde."
In feite betekent dit dat ze alleen maar een alliantie wil met een christendom dat ze naar haar eigen voorkeur heeft gekneed. Zo’n alliantie heeft niet veel kans van slagen. In een artikel in de Volkskrant wijst Amanda Kluveld er terecht op dat het soort christenen dat Hirsi Ali als bondgenoot wil, haar visie op de islam en het gevaar daarvan meestal niet deelt. Daarentegen vinden haar opvattingen juist bij die christenen steun, die zij als bondgenoten afwijst, omdat zij die opvattingen huldigen waarvan zij gruwt. Kluveld noemt als voorbeeld de SGP.
De jongerenbeweging van de SGP heeft Hirsi Ali zelfs een prijs toegekend, ‘Oranje Boven 2010′. "Elk jaar reiken de SGP-jongeren de prijs uit aan iemand die opmerkelijk positief is over christenen en de christelijke waarden", meldt het Reformatorisch Dagblad.
Een opmerkelijke keuze. Kennelijk is in SGP-kringen de afkeer van de islam zo groot dat men bereid is iemand als bondgenoot te begroeten die hun opvattingen fundamenteel afwijst en hen eigenlijk van een bondgenootschap uitsluit. Ze kunnen toch niet serieus menen dat Hirsi Ali "positief is over christenen en christelijke waarden"?
Ook Bart Jan Spruyt, hoewel kritisch over Hirsi Ali’s hengelen naar de steun van christenen, vindt dat haar oproep tot een alliantie serieus genomen moet worden. "Hirsi Ali kan ons leren waar de fronten liggen." Maar daar slaat hij de plank finaal mis. Het front ligt niet tussen de islam en de rest, maar tussen het christelijk geloof en de rest. Het christelijk geloof staat niet alleen haaks op de islam, maar ook op athexefsme, humanisme, ietsisme en welke andere religies en -ismen er ook mogen zijn.
Alleen een christendom waar de angels uitgehaald zijn, laat zich betoveren door de sirenezang van Hirsi Ali. Een schipbreuk is dan onvermijdelijk.
Recht zonder onderscheid
Er is de laatste tijd nogal wat discussie over de relatie tussen kerk en staat. De aanleiding daartoe zijn vooral de acties van homosexuelen in de Sint-Jan van ‘s-Hertogenbosch. Het conflict tussen de leer van de rooms-katholieke kerk en wat vaak beschouwd wordt als de ‘heersende opvattingen’ over homosexualiteit heeft voor flink wat rumoer gezorgd.
Uit de discussies – voorzover daarvan sprake is, want op internetforums leidt het onderwerp toch vooral tot scheldpartijen – blijkt dat seculier Nederland er steeds meer moeite mee heeft dat er instituties zijn, zoals kerken, maar even zo goed scholen en levensbeschouwelijke instellingen, die er op dit punt andere opvattingen op na houden. De manier waarop deze ‘heersende opvattingen’ worden uitgedragen laat zien dat de vertegenwoordigers van het secularisme zich steeds meer als een geloofsgemeenschap gaan gedragen. Daarmee nemen ze de gestalte aan van wat ze zeggen te willen bestrijden.
Tegenstanders van christelijke politieke partijen, scholen en maatschappelijke instellingen schermen graag met de scheiding van kerk en staat. Daarmee bedoelen ze dat de kerk zich niet met de staat zou moeten inlaten. Hierbij is sprake van twee misverstanden.
In de eerste plaats gaan christelijke politieke partijen en christelijke scholen – om ons daartoe even te beperken – niet uit van een kerk. Mensen die (meestal) tot een kerk behoren, willen op basis van hun eigen geloofsovertuiging zich inzetten voor de samenleving. Ze nemen geen opdrachten van de kerk aan. Van welke kerk zouden die opdrachten moeten komen? De leden van de christelijke politieke partijen en de leerkrachten van de meeste christelijke scholen zijn lid van verschillende kerken. Ze zijn lid van een kerk omdat ze de geloofsovertuiging van die kerk delen. Dat lidmaatschap is vrijwillig; niemand dwingt hen daartoe.
De scheiding tussen kerk en staat is dus iets heel anders dan de scheiding tussen geloof en politiek. Er is geen enkele reden te bedenken waarom mensen wel vanuit hun liberale of socialistische overtuiging politiek zouden mogen bedrijven, maar niet vanuit hun christelijke.
Het tweede misverstand is dat de scheiding van kerk en staat er vooral op gericht is de invloed van de kerk op de staat tegen te gaan. Welke invloed bedoelt men? Hoeveel mogelijkheden heeft de kerk om de staat naar haar hand te zetten? Omgekeerd is het een heel andere zaak. De staat heeft het geweldsmonopolie en daarmee de middelen de kerk naar zijn hand te zetten. Het principe van de scheiding van kerk en staat heeft dan ook in de eerste plaats tot doel de kerk van overheidsinvloed te vrijwaren. In de grondwet is de vrijheid van godsdienst vastgelegd en dat betekent ook dat kerken – waarin gelovigen zich vrijwillig aaneensluiten om samen hun geloof te beleven – de vrijheid hebben hun overtuiging uit te dragen en daaraan consequenties te verbinden.
In een artikel in Trouw van 13 maart j.l. schrijven vier auteurs over het bovengenoemde conflict. Ze breken de staf over de acties van homosexuelen in ‘s-Hertogenbosch en karakteriseren deze als ‘seculiere hufterigheid’. De inleiding tot het artikel vat de strekking goed samen:
"Mag een kerk in eigen huis haar eigen regels bepalen, ook als de staat en de samenleving die discriminerend vinden? Ja, stellen de vier auteurs op deze pagina’s. ‘Want dat is onderdeel van de vrijheid van godsdienst en maakt deel uit van het beginsel van de scheiding van kerk en staat’."
De houding van de seculieren karakteriseren ze trefzeker als volgt:
"De scheiding tussen kerk en staat wordt nu in het debat meermaals zeer dwingend doorgevoerd, maar slechts in xe9xe9n richting: de kerk dient angstvallig achter het tuinhekje van de staat en het publieke leven te blijven staan, terwijl staat en straat het hekje van de kerk brutaal mogen openduwen en in het domein van de kerk luidruchtig nieuwe regels uitschreeuwen."
Het betoog van de auteurs is helder en doeltreffend. Er is geen speld tussen te krijgen. Dat komt ook omdat ze het onderwerp sterk vanuit een juridische invalshoek benaderen. Juist daarom is het te betreuren dat ze aan het eind van hun artikel van hun zakelijke betoogtrant afstappen.
In elk geval twee auteurs staan bekend om hun afkeer van de islam. Amanda Kluveld laat zich in haar columns in de Volkskrant kennen als een vurig verdediger van Wilders. Bart Jan Spruyt heeft zich weliswaar van Wilders afgekeerd, maar is nog steeds een bestrijder van wat hij ziet als de ‘islamisering’ van Nederland. Dat mag natuurlijk, maar door daaraan lucht te geven aan het eind van hun artikel, ondergraven ze de overtuigingskracht daarvan.
Ze schrijven:
"Nu wordt er, mede door de opkomst van de islam, al langer gedebatteerd over de plaats van religie in de samenleving. Het problematische aan deze discussie is dat daarbij doorgaans de stelling wordt gehanteerd dat islam en christendom hetzelfde zijn omdat het allebei religies zijn. Waarbij liberalen de conclusie trekken dat alle religie overbodig is en daarom achter de voordeur moet verdwijnen, en christen-democraten zich aan een tegenovergestelde vorm van godsdienstrelativisme schuldig maken: alle religie is goed en verdient daarom in gelijke mate bescherming.
Wat hierbij ontbreekt is een erkenning van onze historische verbondenheid met en schatplichtigheid aan de christelijke cultuur voor wat betreft onze democratische rechtsstaat, onze civiele deugden en ons moreel kapitaal. Dit zijn belangrijke prepolitieke voorwaarden voor het bestaan en voortbestaan van de democratische rechtsstaat, die door de staat niet worden gegarandeerd of afgedwongen kunnen worden."
Terwijl ze zich voor hun opvatting van de scheiding tussen kerk en staat op de grondwet beroepen, wordt diezelfde grondwet buiten de orde geplaatst als het om de positie van de islam gaat. De grondwet kent vrijheid van godsdienst aan alle religies toe. Het is dus niet geoorloofd onderscheid te maken tussen christelijke kerken enerzijds en de islam anderzijds. Wie de godsdienstvrijheid van moslims verdedigt, zegt daarmee niet dat alle religie goed is. Die zegt alleen – geheel in overeenstemming met de grondwet – dat in de publieke samenleving het recht voor allen zonder onderscheid geldt. En dat behoort tot het fundament van de rechtsstaat.
Geerts kroonjuweel
Een verbod op het dragen van hoofddoekjes bij gemeentelijke en door de gemeente gesubsidieerde instellingen is voor de PVV het belangrijkste punt bij de onderhandelingen voor de nieuwe colleges in Den Haag en Almere. Dat was de boodschap van Geert Wilders tijdens de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen.
Let wel wie het zegt. Het maakt nog eens duidelijk hoe de verhoudingen bij de PVV liggen. De locale lijsttrekkers in Den Haag en Almere hebben niets te vertellen. Ze krijgen orders van de grote Leider uit Den Haag. Het verklaart ook waarom de PVV maar in twee gemeenten deelneemt aan de gemeenteraadsverkiezingen. Wilders kan moeilijk in honderden gemeenten in de gaten houden of men zijn orders wel opvolgt.
In reactie op Wilders’ uitlating is van allerlei kanten betoogd dat wat hij voorstelt juridisch niet kan. Maar laten we nu eens aannemen dat het wel zou kunnen en het inderdaad tot zo’n verbod zou komen. Wat zou daarmee veranderen en, belangrijker nog, wat zou daarmee gewonnen zijn?
"Hoofddoekjes zijn teken van een onderdrukkende totalitaire ideologie", volgens Wilders. Als het dragen van een hoofddoekje verboden wordt, betekent dat dan dat degenen die hun hoofddoekje afleggen, daarmee ook afscheid nemen van die "totalitaire ideologie"? Verandert er iets aan hun geloof? Verandert er iets aan de verhoudingen bij de desbetreffende werknemers thuis? Verandert de manier waarop ze hun werk doen?
Maar misschien gaat het om iets anders. Wellicht is de hoop dat al die werknemers liever ontslag nemen dan hun hoofddoekje afdoen. Gaat het daarom: dat islamitische werknemers hun baan opzeggen en uit de gemeentelijke dienst en bij gesubsidieerde instellingen verdwijnen? Denkt Wilders dat zijn aanhangers vooral geen Turkse en Marokkaanse gezichten aan het loket willen zien? Zou de PVV dan toch racistisch zijn?
En stel dat al die werknemers inderdaad ontslag nemen en thuis komen te zitten. Zou dat de integratie bevorderen? Of is het helemaal de bedoeling niet dat ze integreren?
Dat zou wel eens het echte motief kunnen zijn. De grootste bedreiging voor Wilders zijn gexefntegreerde moslims. Die kan hij niet meer als kop van Jut gebruiken. En wat blijft er dan over? Veel concrete voorstellen om maatschappelijke problemen op te lossen hebben we tot nu toe van de PVV nog niet vernomen.
Het verbod op het dragen van hoofddoekjes is blijkbaar het kroonjuweel van de PVV. Daarmee kun je bij de kiezer toch nauwelijks aankomen. Het voorstel is niet meer dan symboolpolitiek. En het lijkt meer op oud roest dan op een juweel.
De praatjes van het COC
Er zijn organisaties die pretenderen namens een grote groep mensen te spreken, die zij als hun doelgroep beschouwen. Die groep is meestal veel groter dan het aantal leden dat die organisatie zelf heeft. Het Humanistisch Verbond is er zo xe9xe9n. Men pretendeert de humanisten te vertegenwoordigen, terwijl de meesten daarvan geen lid van het Verbond zijn.
Het COC is ook zo’n organisatie. Hoewel lang niet alle homosexuelen lid van het COC zijn, gaat ze er voor het gemak maar even vanuit dat ze zich toch allemaal door haar vertegenwoordigd voelen. Daarvoor is geen schijn van bewijs, maar in de politiek en de publieke opinie weet men dat beeld in stand te houden. Het gevolg is dat politici die graag willen laten blijken hoe ruimdenkend ze zijn, zich als haar spreekbuis laten gebruiken.
Nu heeft men het op minister Rouvoet gemunt. Bij het overnemen van het takenpakket van minister Plasterk heeft hij de euvele moed gehad het onderdeel ‘homo-emancipatie’ aan staatssecretaris Van Bijsterveldt te laten. Hij wil alle aandacht geven aan het onderwijs. Dat lijkt een verstandige beslissing. Een ministerspost naast de eigen portefeuille is geen sinecure, en het onderwijs heeft alle aandacht nodig. Bovendien moet de minister zich – in tegenstelling tot de staatssecretaris – nog helemaal inwerken.
Maar deze beslissing was tegen het zere been van het COC. Kennelijk vindt men dat de belangen van de homosexuelen – althans zoals die door het COC worden gedefinieerd – te belangrijk zijn om aan een staatssecretaris over te laten. Het is al wel vaker gebleken dat homosexuele activisten wat hoog te paard zitten en zichzelf wel erg belangrijk vinden. Je zou ze er haast van verdenken dat ze hun eigen ‘emancipatie’ belangrijker vinden dan het onderwijs.
Het is relevant in dit verband te vermelden dat de Nederlandse boycot van de VN-conferentie tegen racisme in 2009 bij het COC op verzet stuitte. De reden was dat Nederland – in navolging van andere landen – daarmee wilde protesteren tegen de antisemitische tirades van de Iraanse president Ahmadinejad. Maar het COC was bang dat de rechten van homosexuelen daardoor niet de aandacht zouden krijgen die ze in haar ogen verdienen. Kennelijk was men niet te beroerd de strijd tegen het antisemitisme te offeren op het altaar van het eigenbelang. Dat mag, maar het is goed daarvan notitie te nemen.
De ophef over de taakverdeling tussen Rouvoet en Bijsterveld is geheel misplaatst, want als minister is Rouvoet politiek verantwoordelijk voor het beleid van Bijsterveld. Bovendien was en is het beleid van Plasterk gewoon kabinetsbeleid en niet dat van de ex-minister persoonlijk. Maar Rouvoet verdient een pluim dat hij het COC weer even op haar plaats heeft gezet.
Dat het COC geen onschuldige belangenorganisatie is bleek kortgeleden tijdens een debat in Amsterdam met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen. De vroegere COC-voorzitter Frank van Dalen, nu kandidaat voor de VVD, pleitte voor verplichte voorlichting over homosexualiteit op scholen, en wel door het COC. Daarmee laat het COC haar ware gezicht zien. Het gaat niet alleen om het tegengaan van wat men als discriminatie beschouwt. Het COC eist ook het alleenrecht op om te bepalen hoe mensen over homosexualiteit moeten denken en hoe scholieren daarover onderwezen moeten worden. Je vraagt je wel af hoe deze uitlating van de heer Van Dalen zich verhoudt tot de opvatting van VVD-leider Rutte dat iedereen alles moet kunnen zeggen. Voor Van Dalen geldt blijkbaar xe9xe9n uitzondering: wat over homosexualiteit gezegd mag worden, dat bepaalt het COC.
Politici en zeker ministers moeten zich niet door belangenorganisaties laten ringeloren. Rouvoet geeft het goede voorbeeld. Moge hij ruime navolging vinden.
Italixeb boven de Alpen
Nederlanders plegen wat neer te kijken op Italixeb. Het is daar een zootje ongeregeld, iedereen is corrupt, kabinetten houden het hooguit een jaar vol en bestaan uit een veelheid van partijen die elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Bovendien maken politici elkaar voor rotte vis uit en zelfs een handgemeen in het parlement is geen uitzondering. Maar misschien hebben we over niet al te lange tijd geen reden meer op Italixeb neer te kijken.
De manier waarop het inmiddels uiteengevallen kabinet zijn ruzies in en buiten de Tweede Kamer etaleerde, was weinig verheffend. De wijze waarop de Tweede Kamer probeerde het kabinet nog wat extra stokken tussen de benen te steken, was van hetzelfde treurige niveau. Van enige inhoudelijke discussie over het onderwerp waarover de onenigheid was ontstaan, was geen sprake. Voor argumenten voor of tegen, laat staan van enige nuance, was geen plaats. Voordat men nu de staf breekt over de politici die er weer eens een zootje van gemaakt hebben, dient men zich wel te realiseren dat ook hierin de politiek een afspiegeling van de maatschappij is.
Wie de kranten leest, mensen hoort en ziet reageren in televisieprogramma’s en kennis neemt van wat op het internet in weblogs en in fora geschreven wordt, kan zich hierover nauwelijks verbazen. Van een zorgvuldige kennisneming en analyse van de feiten is nauwelijks sprake, er worden vooral veel extreme en meestal oppervlakkige grote-stappen-snel-thuis-meningen verkondigd. Nuances en evenwichtige stellingnames zijn met een lantaarntje te zoeken.
Ook het feit dat het debat van vorige week niet over Uruzgan, maar vooral over de binnenlandse politiek ging, wekt geen verbazing. Bij de discussie over het rapport van de commissie-Davids was het al niet anders. Naar aanleiding daarvan gebruikte ik de term ‘dorpspolitiek’ (zie ‘Irak als dorpspolitiek’). Het ging toch vooral over de vraag of, en zo ja welke, koppen moesten rollen. Over de lessen die uit het rapport te trekken zijn, ging het vrijwel niet. Ook hierin is de politiek een afspiegeling van de maatschappij. De Nederlanders lijken steeds meer met hun rug naar het buitenland te gaan staan. Maar als er xe9xe9n land is dat zich zo’n houding niet kan veroorloven, is het Nederland. Op de site van Elsevier schreef iemand: het gaat er niet om wat het buitenland van Nederland vindt, maar wat de Nederlander van Nederland vindt. Zo’n opmerking getuigt van een kortzichtigheid en een domheid, die representatief lijken te zijn voor de Nederlandse samenleving.
Het ziet er niet naar uit dat het op korte termijn beter wordt. Het zou me niet verbazen wanneer Nederland aan de vooravond staat van een periode van grote politieke instabiliteit. Nu al valt op grond van de opiniepeilingen te vermoeden dat geen enkele coalitie gevormd kan worden die uit minder dan vier partijen bestaat. Dat is op zichzelf al een garantie voor instabiliteit. Maar over belangrijke onderwerpen lopen de meningen tussen de partijen zozeer uiteen dat nauwelijks valt in te zien hoe zo’n coalitie – van welke politieke kleur ook – een termijn van vier jaar kan volmaken. En naarmate een stabiel politiek midden begint te ontbreken, zal het steeds moeilijker worden een beleid te ontwikkelen dat de nuance zoekt en extremen vermijdt. Op dit moment kan eigenlijk alleen de ChristenUnie nog tot het politieke midden worden gerekend. Het CDA heeft zich, vooral onder Balkenende, steeds meer in rechtse richting bewogen.
Misschien moeten we ons dus gaan instellen op Italiaanse toestanden. Kabinetten die een jaar of wellicht twee jaar zitten, worden dan misschien eerder regel dan uitzondering. Als het gaat om politieke mores zijn we al in Italiaanse sferen beland. In de Tweede Kamer gaat men nog niet op de vuist, maar een kamerlid dat zich gedraagt als een viswijf hebben we al wel. En als de PVV bij de komende verkiezingen flinke winst behaalt, zal het gehalte aan fatsoen en beschaving in de politiek navenant dalen.
Zoals gezegd, de politiek is een afspiegeling van de maatschappij. Instabiliteit, kortzichtig eigenbelang, provincialisme en gebrek aan beschaving – het zijn allemaal verschijnselen die de maatschappij van vandaag kenmerken. En dat is niet iets om vrolijk van te worden.
Wie is er eigenlijk rechts?
De AVRO biedt de mogelijkheid te testen hoe rechts je eigenlijk bent. Dat is een hachelijke onderneming in een tijd waarin maar weinig mensen in staat zijn precies te definixebren wat de begrippen ‘rechts’ en ‘links’ inhouden. Partijen die vrijwel iedereen als ‘rechts’ beschouwt, hebben over bepaalde onderwerpen soms opvattingen die meestal als ‘links’ worden gezien en omgekeerd.
VVD-leider Mark Rutte vindt zichzelf een rechts politicus en is daar trots op. Rechts is leuk, vindt Rutte, omdat "je dan je eigen besluiten kan nemen en niet een Andrxe9 Rouvoet van de ChristenUnie naast je hoofdkussen staat om te beslissen hoeveel kinderen je moet krijgen." De intellectuele armoede van de VVD kan niet duidelijker worden gedemonstreerd. Gelukkig bestrijden christelijke politici de liberalen op een heel wat intelligentere manier dan omgekeerd. Ik kan me trouwens niet voorstellen dat iemand die rechts is, wil worden geassocieerd met een politicus met de diepgang van een bordje vla.
Een test met meerkeuzevragen is altijd ongenuanceerd. Dat is hier ook zo. Neem nu eens vraag 2. Als je bij een voedselbank terechtkomt …, en dan volgen drie mogelijke antwoorden:
a) ligt dat vooral aan jezelf: eigen schuld dikke bult;
b) dan had de overheid er meer aan moeten doen om dat te voorkomen;
c) ligt dat aan misleidende leenreclames of postorderbedrijven.
De antwoorden sluiten elkaar niet volledig uit. Je hoeft niet rechts te zijn om te erkennen dat in sommige gevallen mensen het inderdaad aan zichzelf te wijten hebben. Maar soms is ook antwoord c) waar: leenreclames en postorderbedrijven kunnen zeker een rol spelen bij het ontstaan van armoede die tot het bezoeken van de voedselbank noopt. En als je antwoord a) of antwoord c) aankruist, hoeft dat niet uit te sluiten dat je het met b) eens bent. Trouwens, wanneer je vindt dat de overheid het probleem moet voorkomen, laat dat nog allerlei mogelijkheden open ten aanzien van de vraag op welke manier ze dat zou moeten doen: via inkomensbeleid of door bijvoorbeeld leenreclames te verbieden.
Bij verschillende vragen heb je alleen de keus tussen extreme standpunten, terwijl je eigenlijk behoefte hebt aan iets wat er tussenin zit. De test is dan ook typerend voor onze tijd: nuances zijn uit de gratie.
Als er xe9xe9n kwestie is waarbij de begrippen links en rechts weinig zeggen, is het die van de privacy. Liberalen bijvoorbeeld nemen al gauw het woord betutteling in de mond en willen niet dat de overheid achter de voordeur kijkt. Maar zodra het om de bestrijding van de misdaad gaat of het voorkomen van terrorisme, zijn ze al gauw geneigd aan de politie vxe8rgaande bevoegdheden toe te kennen, inclusief het verzamelen van privxe9gegevens. En bezwaren tegen een bodyscanner komen eerder van links dan van rechts. Wat is links en wat is rechts als het om privacy gaat?
Verbazingwekkend zijn de vooroordelen die uit de vraagstelling blijken. Vraag 13 gaat over kleding: welke kleding past het beste bij jou? Kennelijk geldt het eerste antwoord – driedelig/chique/mantelpakje – als een bij uitstek ‘rechts’ antwoord. Dat lijkt me toch echt uit de tijd. Ook linkse mensen dragen soms een driedelig pak en rechtse mensen kunnen best het derde antwoord aankruisen: sportief/gewoon. Het tweede antwoord is: alternatief. Maar welke kleding is tegenwoordig nog alternatief?
Er zijn vragen waar je misschien helemaal geen antwoord op kunt geven of waar het gewenste antwoord niet bij staat. Neem deze vraag (15): tot welke auto voel je je het meeste aangetrokken? Je kunt kiezen uit: a) Eend, b) Hummer, c) Volkswagen station. De Eend ken ik, maar wat zijn die andere twee? Ik zou niet weten hoe ze eruit zien. Dus wat moet je dan kiezen? Mijn antwoord zou zijn: geen enkele, want ik wil geen auto en ik heb niet eens een rijbewijs. Maar die mogelijkheid biedt de test niet.
Hetzelfde geldt voor de vraag (14) welke vakantie je zou uitkiezen als je een loterij zou winnen. Afgezien van het feit dat ik op principixeble gronden niet aan loterijen deelneem zijn de geboden keuzes geen van alle aantrekkelijk. Een verre en luxe vakantie om indruk te maken op vrienden is nogal kinderachtig. Een kampeervakantie in Frankrijk is ook niet aantrekkelijk: kamperen is veel te oncomfortabel. Een een ecoreis naar Afrika valt ook af: het is daar veel te warm, ze hebben daar allemaal enge insecten en je moet ook nog eens tegen allerlei ziekten worden ingexebnt. Waarom mag ik niet gewoon thuisblijven?
Kortom, deze test rammelt aan alle kanten, is ongenuanceerd, geeft blijk van vooroordelen en dwingt de deelnemer in een keurslijf.
Niet dat het er verder veel toe doet. De echte scheidslijn in de politiek is die tussen christelijke en niet-christelijke politiek. En die zijn heel gemakkelijk uit elkaar te houden.
Wetenschappers zijn net mensen
Wetenschappers zijn net mensen. Ze maken fouten en begaan vergissingen, soms hele domme, waarbij je je afvraagt hoe die de controle hebben kunnen passeren. Zelf vergeten wetenschappers dat wel eens. Ze lijken soms te denken dat ze de wijsheid in pacht hebben. De genante vergissingen in de rapporten van de IPCC zetten hen weer met de voeten op de grond.
Maar er is meer. Resultaten van wetenschappelijk onderzoek worden soms met meer stelligheid gepresenteerd dan gerechtvaardigd is. Daar zitten meestal heel respectabele motieven achter. Autoriteiten en burgers worden aan zo’n overweldigende stroom van informatie blootgesteld dat het moeilijk is zaken van belang onder de aandacht te brengen. Ook het gevaar van afstomping ligt op de loer. Bij de zoveelste ramp ergens op de wereld haalt de burger zijn schouders op en gaat over tot de orde van de dag. De verleiding is dan groot de ernst van de ramp aan te dikken en het aantal slachtoffers te overdrijven.
Je kunt degenen die zich aan overdrijving schuldig maken niet alle verantwoordelijkheid in de schoenen schuiven. We zijn zelf verantwoordelijk voor de maatschappij zoals die geworden is. Kennelijk zijn we niet goed in staat de informatie die over ons wordt uitgestort, op haar waarde te schatten en het kaf van het koren te scheiden. Enige zelfkritiek zou ons niet misstaan.
In het kielzog van de ophef over de fouten in de rapporten van de IPCC wordt erop gewezen dat wetenschappelijke onderzoekers zich niet kunnen losmaken van hun eigen ideexebn en belangen. Dat is een belangrijke vaststelling: wetenschap is niet waardenvrij en neutrale wetenschap bestaat niet. Het is wel vreemd dat men daar blijkbaar nu pas achtergekomen is.
Hierbij is men overigens nogal selectief. Tijdens het Darwinjaar 2009 werd iedereen die zelfs maar enkele vraagtekens durfde zetten bij de ‘waarheid’ van de evolutietheorie als achterlijk gebrandmerkt. Maar als wetenschap niet neutraal is en de resultaten van wetenschappelijk onderzoek bexefnvloed worden door de vooroordelen van de wetenschappelijke onderzoekers, dan geldt dat op alle terreinen. Degenen die de evolutietheorie niet voor zoete koek willen slikken hebben dat beter begrepen dan zij die deze theorie voor onaantastbaar verklaren en haar daarmee tot dogma verheffen.
Het is altijd noodzakelijk de resultaten van wetenschappelijk onderzoek kritisch te beschouwen. Dat is in de eerste plaats de taak van wetenschappers: zij moeten elkaar bevragen en elkaars wetenschappelijk werk aan een kritisch-wetenschappelijk onderzoek onderwerpen. Wie daarvoor de kwalificaties mist – de Simon Rozendaals van deze wereld – kan beter niet te hoog van de toren blazen.
En wat voor wetenschappers geldt, is ook van toepassing op wie hun bevindingen bekritiseert. Ook degenen die kritiek leverden op de rapporten van de IPCC hebben zo hun eigen vooroordelen en hun eigen belangen. Het is niet vreemd dat de scherpste kritiek op de conclusies betreffende de opwarming van de aarde uit liberale hoek komen. Als die conclusies juist zijn, en vooral wanneer die opwarming inderdaad hoofdzakelijk aan de invloed van de mens is toe te schrijven, dan moet dat consequenties hebben voor onze levensstijl. Dan is wellicht minder of zelfs geen economische groei onvermijdelijk. Misschien moeten we dan genoegen nemen met een lager niveau van welvaart. En dat is liberalen een gruwel. Economische groei en stijging van welvaart zijn immers liberale dogma’s, waarover niet te discussixebren valt. Een stap terugdoen ten gunste van het welzijn van de aarde, en zeker in het belang van de zwakste bewoners van de aarde – in het bijzonder in de Derde Wereld – zit niet in het liberale systeem.
De resultaten van wetenschappelijk onderzoek en de conclusies die daaruit getrokken worden verdienen een kritische beschouwing, zeker als die conclusies verregaande politieke en maatschappelijke consequenties kunnen hebben. Maar de kritiek erop verdient een even kritische bejegening. Wetenschappers zijn net mensen en laten zich door overtuigingen en belangen bexefnvloeden, maar hun critici niet minder.
Gezakt
Regeren is vooruitzien, zegt een Nederlandse uitdrukking. Maar voor Nederlandse politici is regeren vaak achteromkijken. Zal de burger hen wel volgen? Maar wie steeds achteromkijkt, loopt het gevaar ten val te komen. Minister Eurlings lijkt dat even vergeten te zijn.
De kilometerheffing – of iets wat daarop lijkt – wordt al decennia lang als een hete aardappel van het ene kabinet naar het volgende doorgeschoven. Dit kabinet beloofde plechtig dat in elk geval tijdens zijn zittingsperiode knopen doorgehakt zouden worden en de kilometerheffing echt zou worden ingevoerd. Maar het herhaalde uitstel van de invoeringsdatum liet al vermoeden dat Eurlings slechts met tegenzin de gedane belofte zou inlossen.
Inmiddels is het dan zo ver en heeft hij een plan voor de kilometerheffing gelanceerd. Daarop is veel kritiek gekomen. Het zou technisch niet uitvoerbaar zijn en de privacy zou niet gegarandeerd zijn. Wellicht snijdt die kritiek hout. Het gaat om een omvangrijke en ingewikkelde operatie en ervaring met de kilometerheffing is er uiteraard niet. Maar dat is niet het enige. Het feit dat vooral De Telegraaf, de krant van egoxefstisch Nederland, en de VVD, de Partij van het Asfalt, heftig protesteren, laat al zien dat er andere motieven in het spel zijn.
De Telegraaf kan uiteraard niet aankomen met het bezwaar dat de kilometerheffing de privacy zou aantasten. Dat zou wel erg vreemd zijn, gezien het feit dat deze krant op haar pagina’s elke dag de privacy van mensen schendt. En de VVD is de kilometerheffing vooral een gruwel, omdat ze beoogt de particuliere mobiliteit in te perken, wat geheel in strijd is met het dogmatisch individualisme van deze partij.
Zoals te verwachten – we zijn tenslotte Nederlanders – gaat het vooral om het geld. Het was al direct duidelijk dat de kilometerheffing alleen kans van slagen zou hebben als het autorijden daardoor niet duurder zou worden. Dat is een merkwaardige voorwaarde. Iedereen weet dat het frequente autogebruik een grote last betekent voor de samenleving. Die last betreft niet alleen de luchtvervuiling die de auto veroorzaakt, maar ook het beslag op de schaarse energiebronnen en de problemen voor de infrastructuur. Het is dus niet meer dan logisch dat de automobilist de rekening daarvan gepresenteerd krijgt.
Mobiliteit is een maatschappelijk probleem dat alle burgers raakt. En juist daarom is het zo merkwaardig dat minister Eurlings het lot van de kilometerheffing in handen heeft gelegd van de ANWB. Veel politieke besluiten raken alleen een bepaalde groep mensen, zoals de hoogte van uitkeringen of kinderbijslag, bepaalde vormen van subsidies of maatregelen op het gebied van de zorg. Toch worden de beslissingen daarover niet exclusief in handen van de direct betrokkenen gelegd. Stel je voor dat een gemeenteraad de supporters van een voetbalclub zou laten beslissen of hun club subsidie krijgt of niet. Het land zou te klein zijn.
De ANWB zegt zo’n vier miljoen leden te hebben. Dat zijn bij lange na niet alle automobilisten van Nederland. Alleen al daarom kan de ANWB niet claimen namens de automobilisten te spreken. Er zou een peiling onder de leden plaatsvinden. Directeur Van Woerkom verwachtte dat zo’n 300.000 van die vier miljoen leden aan de peiling zouden deelnemen. Stel dat de meerderheid daarvan – zeg 180.000 – tegen is, dan zou volgens de mededeling van Eurlings geconcludeerd moeten worden dat het draagvlak voor de kilometerheffing ontbreekt en dat die daarom van tafel moet. Maar 180.000 mensen zijn goed voor hooguit 2 xe0 3 kamerzetels. In de Tweede Kamer krijgt de Partij voor de Dieren – twee zetels – toch ook geen volmacht om het beleid te bepalen ten aanzien van alles wat met dieren te maken heeft? Waarom zouden 180.000 automobilisten kunnen bepalen of Nederland een kilometerheffing krijgt of niet?
Wat zijn de motieven van Eurlings om het lot van de kilometerheffing in handen te leggen van de leden van de ANWB? Wil de minister graag ooit de leider van het CDA worden en misschien uiteindelijk zelfs minister-president? Een maatregel die zoveel weerstand oproept kan hij dan niet gebruiken. Maar van de leider van xe9xe9n van de grootste partijen en zeker van een minister-president wordt vooral leiderschap gevraagd. In de uitoefening van zijn functie als minister had Eurlings kunnen laten zien dat hij ruggregraat heeft en uit het goede hout gesneden is om leiding te geven aan zijn partij en misschien zelfs aan een kabinet. Voor dat examen is de minister inmiddels gezakt.
Irak als dorpspolitiek
Dat het rapport van de commissie-Davids, die de Nederlandse opstelling ten aanzien van de Irak-oorlog moest onderzoeken, flink wat stof zou doen opwaaien, was te verwachten. Ook het feit dat niet eens zozeer het rapport zelf, maar vooral de manier waarop ermee omgegaan wordt, voor opwinding zorgt, ligt in de lijn van de verwachtingen.
Politieke partijen en maatschappelijke groeperingen gebruiken het rapport om alsnog hun gelijk te halen. Vooral de conclusies ten aanzien van de rechtmatigheid van de oorlog worden gretig als schaamlap gebruikt ter verhulling van de keuze de andere kant op te kijken en vooral niets te doen. En dan zijn er natuurlijk ook politici die het rapport vooral aangrijpen om de regering beentje te lichten, ook al hebben ze in een vorig politiek leven het onderzochte beleid kritiekloos gesteund.
Dit misbruik van het rapport kan men uiteraard de commissie niet verwijten. Wel kan een aantal conclusies van kanttekeningen worden voorzien. Zelfs xe9xe9n van de commissieleden heeft dat gedaan, toen hij opmerkte dat naast het volkenrecht ook politieke afwegingen een rol moeten spelen bij het bepalen van het beleid. Dit raakt een centraal punt in de discussie: de legitimiteit van de militaire operaties in Irak.
Het laat zien dat er over het rapport valt te discussixebren, niet alleen maar over de vraag welke lessen er getrokken moeten worden, maar ook over de houdbaarheid van de conclusies zelf. Daarvoor is wel tijd nodig, maar die gunnen de politici elkaar en zichzelf niet.
De commotie die de eerste reactie van premier Balkenende heeft veroorzaakt, vindt vooral daarin haar oorzaak. Hij had het rapport vxf3xf3r de presentatie niet gelezen en ook de conclusies las en hoorde hij toen voor het eerst. Het was daarom niet redelijk van hem te verwachten dat hij direct een afgewogen reactie zou geven. Hij had dus beter niet inhoudelijk kunnen reageren. Als Balkenende meegedeeld had dat hij het rapport te belangrijk vond om erop te reageren voordat hij het bestudeerd had, zou hij de commotie die hij met zijn eerste verklaring heeft opgeroepen, hebben vermeden.
Het zou hem waarschijnlijk niet in dank zijn afgenomen door partijen die het rapport vooral voor hun eigen politieke doeleinden willen gebruiken. De commissie heeft geconstateerd dat de Nederlandse politiek tijdens de aanloop tot de interventie in Irak vooral met zichzelf bezig was. Op dat punt is er niets veranderd. In plaats van na te denken over lessen die uit het onderzoek getrokken moeten worden, zijn partijen toch vooral gexefnteresseerd in de consequenties voor de zittende en toenmalige minister-president. Dat zijn val vrijwel zeker ook de val van het kabinet betekent, is dan mooi meegenomen. Een rapport dat onderdeel zou moeten zijn voor een debat over het buitenlands beleid wordt gereduceerd tot munitie voor een binnenlands-politiek gevecht.
De concentratie op de consequenties voor de minister-president c.q. het kabinet is ook een middel om zelfonderzoek te voorkomen. Daar hebben de partijen die nu hoog van de toren blazen, niet veel animo voor. De commissie heeft tenslotte ook geconcludeerd dat een groot deel van de Tweede Kamer in de aanloop naar de interventie in Irak heeft zitten slapen. En in de jaren daaraan voorafgaande – van 1991 tot 2001 – hebben vrijwel alle partijen het Amerikaans-Britse optreden in de regio gesteund, hoewel ook daarvoor – althans volgens de commissie – een deugdelijk mandaat ontbrak.
Er zijn verschillende partijen en politici die flink wat boter op hun hoofd hebben. Enig kritisch zelfonderzoek zou hen sieren. Maar zolang het vooral gaat om de consequenties voor anderen, kunnen ze zelf buiten schot blijven. Er is inderdaad niets veranderd sinds de oorlog in Irak. In Nederland wordt de discussie over het buitenlands beleid nog steeds gevoerd op het niveau van dorpspolitiek. Kennelijk houdt niet alleen voor populisten de wereld bij de Nederlandse grens op.
